De column van Herma

Groen, geel en rood

Net gepensioneerd, en toch moe. Waar is de energie die ik had toen ik werkte? Ik sleep me door de dag heen en zit veel. De ochtendstramheid gaat normaal wel over na wat rek- en strekoefeningen, maar nu ben ik pas een beetje bij de mensen in de loop van de middag. En dan heb ik al een paar uurtjes slaap achter de rug na mijn tussen-de-middag broodje. Pas dan kan ik wat rommelen in huis en koken, maar om negen uur ‘s avonds is mijn kaarsje al weer op. Ik sta wiebelig op m’n voeten, loop wat ingezakt. We kunnen onze vaste wandeling om het dorp heen niet meer maken. En dat doe ik zo graag.
Ik voel me treurig. Soms moet ik om mezelf lachen als ik zuchtend en steunend, voetje voor voetje, de trap op of af ga: ‘t olle wief. Ik denk aan de wandelstok die zowel mijn vader als moeder gebruikten toen ze over de tachtig waren. Zij zijn er niet meer, hun ‘derde’ been staat bij mij op zolder. Zal ik …? “Als het zo door gaat, moet ik aan de rollator”, zeg ik tegen een vriendin met wie ik mijn gevoel deel. “Maar dan wil ik wel een gele. Met zo’n vlaggetje.” We zien het voor ons en lachen mijn ongerustheid weg.

De huisarts verwijst me en ik zit op de bezoekersstoel van de reumatoloog. Ze vraagt. Ik vertel. Ze voelt de gewrichten en zegt: “Goed dat u gekomen bent. U zit nog in de beginfase, we zijn er vroeg bij.”
Mijn voorstellingsvermogen schiet alle kanten op. Ik zie mijn oma met haar reumatische handen en ik zie haar zuster in een rolstoel. ‘Stijf van de rimmetiek’, heette dat.
Gelukkig zijn we nu zestig jaar verder en is er meer kans om vergroeiingen tegen te gaan, de medische wetenschap is een stuk verder. Ik voel meer dan ik weet dat dit iets zal zijn, wat anders is dan een griep, of een gebroken been. Die beiden gaan na verloop van tijd over. De reumatoloog geeft aan dat het wel beheersbaar is te houden, maar het zit er en het gaat niet meer weg. “Houdt u daar maar rekening mee, mevrouw.”
En toch. Er komt een sterk gevoel bovendrijven: daar wil ik niet aan. Het gaat wèl over. Het wordt wèl minder. Ooit. Want ik wil kunnen blijven wandelen. Blijven lopen. Ik neem me voor desnoods te gaan wandelen met het ene wiel voor het andere, maar lopen zal ik. Dan maar in een rolstoel die ook op bospaden kan. En als het dan toch moet, dan wil ik een rode. En die gele rollator.
De groene stok heb ik al.

Reageren?
hermajurgvanduijsen@gmail.com