De column van Herma Tevreden

Tevreden

“Je lichaam is geen stoplicht. Je kunt het niet naar believen aan en uit zetten.” De fysiotherapeut onderstreept zijn woorden met handgebaren en gaat verder: “Je spieren moeten weer langzaam wennen. Ga je meteen een uur fietsen of wandelen, wat je gewend was, dan moet je misschien wel een week bijkomen. Beter is het om te beginnen met tien minuten. Je wandelt de straat op en neer. En als dat goed gaat, ga je vijftien. En langzaam, misschien na een week of na twee weken, pas als je niet meer moe bent, doe je twintig. Enzovoort. Ga je dan over een grens, dan weet je: die vijfentwintig kon ik, die dertig dus nog niet. Dus neem je even rust en pak je het weer op bij vijfentwintig. En daarna probeer je weer die dertig.”
Natuurlijk heeft hij gelijk, maar wat een GEDOE!

Wandelen is mijn lust en leven. Mijn bergschoenen getuigen ervan: twintig tot dertig kilometer per dag in Frankrijk, in Engeland, mijn man droeg het tentje, ik de slaapzakken en het brood. Ieder droeg z’n eigen kleren – een set aan en een set mee. En grammen jagen voor het hemd dat het minste weegt. Een pen mee – en geen twee – is ie leeg of raak je ‘m kwijt dan koop je een nieuwe. De lichtste leesbrillenkoker zoeken. Deodorant thuis laten, dat weegt ongeveer 75 gram. Goed je oksels wassen is voldoende en na tien minuten lopen met wat klimmen, zweet je toch weer. Dat soort afwegingen.
En dan: de ene voet voor de andere. Met prachtige vergezichten, mooi en lelijk weer, het is wandelen en buiten zijn. Na een paar dagen is alles weg – thuis, werk, je oude leven. En besta je door van A naar B te lopen, brood te eten als je honger krijgt, een grote fles water leeg te drinken en ‘s avonds, op je (lichtgewicht!) slippers naar een restaurant. Goed eten voor morgen. Want dan ‘mag’ je weer.
En dan moet ik nu 10 minuten de straat op en neer? En daar ‘tevreden’ mee zijn?
Ik blijf denken: toen-kon-ik-, nu-kan-ik-niet, met een heftig verlangen naar ‘toen’.
“U moet weer stabieler worden”, vooral sterkere beenspieren krijgen”, zegt de fysiotherapeut. “Dus oefenen en wandelen.” Dus doe ik op de fysio-fitnessclub waar ik elke week naar toe ga, vooral allerlei beenoefeningen. Voor anderen gelden andere regels. Een mevrouw gaat altijd roeien tot de machine een verbruik van honderd calorieën aangeeft. De afstand en de snelheid doen er niet toe. Een ander gaat nooit op de loopband: “Ik loop al genoeg thuis en in mijn tuin.” Iedereen pakt zijn training op haar of zijn manier op.

Ik doe m’n bergschoenen aan en ga voor de eerste keer tien minuten. Ik geniet van het buiten zijn, maar loop moeizaam. Als ik terug ben, zak ik in mijn stoel. Moe. Het is écht zo: vroeger kon ik, nu kan ik niet.
Morgen ga ik weer. Tien minuten. En, misschien … over een weekje …, vijftien minuten?

Reageren?
hermajurgvanduijsen@gmail.com