De column van Herma

Jezelf uitlaten

Er zijn momenten dat ik de reuma helemaal niet zie zitten. Dat alles me teveel is. Dat mijn lijf niet wil. Dat ik m’n voeten, benen, knieën en schouders voel, dat alles stijf is. Dat ik last heb van de bijwerkingen van de medicijnen en dat ik de druk voel van het vocht dat zich in mijn lijf door die medicijnen ophoopt. Dan heb ik geen depressie of zoiets, maar zie het gewoon niet meer zitten. Als op dat moment iemand aan me vraagt: “Hoe gaat het”? dan antwoord ik vaag met “Mwah”. Want als ik werkelijk zou vertellen hoe het gaat, kan ik m’n ogen niet droog houden, denk ik.
Klagen helpt niet. En Conny Stuart zong het al in de musical ‘Heerlijk duurt het langst’: “Zeur niet, zeur niet, zeur niet”. Wat dan wel? Ik weet tot nu toe twee manieren:
– jezelf te vermannen. Ik noem dat ‘vervrouwen’ en ik spreek mezelf toe: ‘Aan dat lijf kan ik niets meer doen dan dat ik al doe, dus ik moet nu tevreden zijn met wat er is. En dat is het. Vandaag gaat het ook niet meer worden. Dus: kop op!’ of woorden van gelijke strekking.
– de geest te verzetten. Jezelf uit te laten in of buiten je stoel. Een boek lezen, een tijdschrift doorbladeren, op internet iets uitzoeken, naar muziek luisteren – als het maar geen energie kost. Of er – binnen je grenzen – toch op uit gaan. Misschien een autoritje en een kopje koffie ergens. Maar vooral niet: ik ga straks de gordijnen wassen of zo.
Tijdens dat ‘verzetten van de geest’, in welke vorm dan ook, kun je ineens geraakt worden. Door wat je hoort, wat je ziet, wat er wordt gezegd of opgeschreven. Je put er kracht uit. Of je realiseert je: dat heb/voel/denk ik ook. Of: dat moet ik onthouden. Het kan duidelijkheid of bevestiging geven. Of het maakt je bewust van het feit dat kennelijk meer mensen dat hebben.

Overdonderd
We gaan naar de opening van een overzichtstentoonstelling van keramiek werk. Ik zie er naar uit het werk van de kunstenares bij elkaar te zien. Maar mijn lijf wil die dag niet, ik zie er tegenop. Uit de auto komend, sta ik even stil voor de balans (ik noem dat ‘even starten’), pak mijn uitvouwbare zitstoeltje en de arm van mijn man. Pffftttt. Er staan een paar mensen in de rij te wachten om naar binnen te kunnen. Esther staat bij de deuropening, geeft iedereen een welkomsthand en maakt een kort praatje. Zo’n menselijke ontvangst past bij haar, maar voor mij is het een ramp, staan en wachten lukt niet goed. Ik vouw mijn stoeltje uit en ga zitten. Ik zak wat in elkaar, het rechtop houden van mijn lijf kost me energie. Ik moet mezelf opnieuw ‘vervrouwen’.
Als we naar binnen kunnen, zoenen en feliciteren we en maken weer plaats voor de volgende bezoekers. Ik draai me om, om te kijken naar het eerste beeld dat op een sokkel langs de wand staat. En ik stroom bijna over: ik ben geroerd, geraakt en overdonderd. Ik kijk lang naar het beeld van ongeveer 16 cm hoog. Het is een jonge kaketoe, die zijn best doet om groter te worden. Om zich op te richten, om zijn eerste stapjes met die grote voeten van ‘m te kunnen gaan zetten. Als ik verder loop, langzaam, langs het andere werk, heb ik een glimlach op m’n gezicht en in m’n hart. Als we alles gezien hebben, komen we terug bij de kaketoe. Het gebeurt opnieuw – ik voel een nauwe verwantschap met de wilskracht die dit beeld uitstraalt. Met in zijn houding iets van: ‘ik ben er nog lang niet, maar ik kom er wel hoor, op z’n tijd’.
Inmiddels staat de kaketoe al vier jaar in onze woonkamer op een plaats waar ik er naar kan kijken. En dat doe ik regelmatig. Ik put er nog steeds kracht uit.

Reageren?
hermajurgvanduijsen@gmail.com